De ‘goesting’ om te schrijven, begint bij het
levensverhaal
van mijn vader.
Hij is de oprichter en bezieler van Rodania, het
horlogemerk
dat hij als 19-jarige Zwitserse knaap in België op de
rails
kwam zetten.
Samen met mijn moeder, jawel, zijn eerste
secretaresse en kort nadien zijn echtgenote, laat hij
de
kleinschalige firma in een voor hem onbekend Brussel,
evolueren tot een dynamisch en succesvol bedrijf.
Onze ouders, (ik heb broer en zus) die van Rodania een
topmerk zouden maken, dat kon niet onbeschreven
blijven,
dat zouden onze kinderen en kleinkinderen later lezen,
wat
zeg ik, ‘moeten’ lezen! (verplichte lectuur!)
In 2008 besluiten ze, op dat moment 75 en 76 jaar
jong, dat
het welletjes is geweest en gaan op rust. Ze hebben
overschot van gelijk.
Ze kunnen met voldoening en fierheid terugblikken op
een
bewogen en bruisende loopbaan. In de lente van 2008,
krijg
ik zin om de biografie van mijn vader, Manfred Aebi,
in een
boek te gieten, als kers op de taart, als vorm van
bewondering en appreciatie.
Zo rolt in 2009 ‘Swiss Made’ van de pers, het relaas
van een
warme self-made man, een retrospectieve van de groei
van
een horlogebedrijf doorspekt met spitante, familiale
anekdotes.
Tijdens het werken aan het boek, leer ik mezelf een
stukje
beter kennen, in dien verstande dat ik voel dat ik aan
het
proces van het neerpennen, een immens plezier beleef.
Na ‘Swiss Made’ had ik binnen in mij één en ander
voelen verschuiven.
Was het de schrijfmicrobe die zich in mijn lijf
genesteld had? Nu kan ik hier volmondig ‘ja’ op antwoorden, want ze
is blijven zitten en ze valt steeds harder aan, zonder
dat ze me ziek maakt.
Wat nog meer is, ik heb het graag, dat ze me prikt en
dooreen schudt.
Na ‘Swiss Made’, sla ik een andere piste in, die van
het misdaadverhaal, want ik wist nu zeker dat ik wilde
schrijven, maar dan iets waar spanning in zat, iets
waar je ongeduldig verder in wilde lezen, iets wat intrigeerde en
zou blijven hangen.
Of ik het kon, heb ik me hooguit drie seconden
afgevraagd, het ging erom dat ik het zo graag deed en mezelf wilde
uitdagen.
Marilyn Monroe sprak ooit de wijze woorden ( en ja,
naar het schijnt was ze écht blond) : ‘I wasn’t the prettiest, I
wasn’t the most talented, but I wanted it more than
anybody else.’
Daar draait het om in dit leven, als je iets echt
‘wilt’, komt het wel, er is maar één voorwaarde, je moet het ‘hard
genoeg’ willen.
Ik heb op een dag mijn voeten onder tafel gestoken,
mijn pc opgestart en mijn vingers op het toetsenbord gelegd.
Ze lagen daar goed.
Het was werken, ik zag of hoorde haast niemand, maar
het voelde als dikke fun.
Sindsdien schrijf ik dagelijks, soms enkele uren, vaak
een hele dag.
Soms sta ik op, midden in de nacht, en schrijf een
woord of enkele zinsflarden op, zonder het licht aan te steken,
mijn notaboek met zijn onafscheidelijke balpen ligt
naast mijn bed, ik kan het blindelings opschrijven.
Ik geniet van het fantaseren, van de vrijheid die ik
heb in mijn hoofd, van het opzoeken van thema’s, van het gaan
praten met mensen die er veel over weten.
Het meeste geniet ik natuurlijk van het bedenken van
een plot, en dat zorgt vaak voor slapeloze nachten en een
rothumeur.
Tot ie er dan is, en alle puzzelstukjes in
elkaar vallen,
dat is het allermooiste moment, een zeepbel die plots
open springt.
Bibliografie :
2010 : ‘Dubbelspel’
2011 : ‘Het geluid van stilte’
2012 : ‘Het container meisje’
2013 : ‘Darkroom’
2014 : ‘Zigeunerbloed’